missieve 80

 

Beloken Pasen 2018


Wekenlang konden bezoekers van Boijmans van Beuningen zich op de Rotterdamse toren van Babel wanen. Samen met de krant Asahi Shimbun (oplage < 11 miljoen) bracht het museum een animatie  van de toren van Babel van Pieter Breughel (Brueghel? 1527? – Brussel 9.9.1569). Een fantastisch trompe l’oeil , mogelijk gemaakt door de verfijnde details van Brueghel, een ervaren pintore di cose piccole. Als lid van het Antwerpse gilde plaatst hij de toren van Babel aan zee.

 

De ziggoerat die inspireerde tot Gen.11:1-9 lag aan de Eufraat, bij een binnenmeer. In 1552 sluit Brueghel vriendschap met de oudere miniaturist Giulio Clovio (Grizane, Kroatië 1498 – Rome 3.1.1578). De  boedelbeschrijving na Clovio’s overlijden vermeldt vier werken van Brueghel : grillige boom, landschap bij Lyon, een op ivoor geschilderde Toren van Babel en een miniatuur die door Breughel en Clovio samen is geschilderd. Alle vier de werken zijn verloren gegaan. 

Men kent Clovio door het luisterrijke getijdenboek voor (kardinaal Alessandro) Farnese. Hij bracht de verluchtingen aan tussen 1537 en 1546. Op de pagina’s staan her en der vergulde vraagtekens. Maar ook twee torens van Babel (ff. 104-105 en 106v-107). Bij de tweede toren - gestapelde schoenendozen aan een bergmeer - is het Breviarum van begunstiger kardinaal Grimani het voorbeeld geweest. Maar zijn eerste toren van Babel ligt aan zee, met een havenstad, een op het strand getrokken fluitschip en gebergten langs de kust.

De invloed van Clovio op Brueghel staat vast. De 25-jarige Brabander  stond in Italië (1552-1554) open voor nieuwe indrukken. Hij tekent exotische dieren als kamelen, een olifant, enkele soorten apen. Clovio  schildert een jachtluipaard, een panter, zelfs een Nieuw-Guinese paradijsvogel die dus rond 1540 in Rome te zien moet zijn geweest.


Brueghel maakte zeker miniaturen en veel meer vrome schilderijen dan de elf die over zijn. De kerk was de belangrijkste opdrachtgeefster; kardinaal Granvelle bezat diverse Breughels. Er zijn zo’n veertig schilderijen bekend. Minder dan de helft?

Duizenden zijn in de Beeldenstorm van 1566 vernietigd. Bijna alle schilderijen en beelden in kerken en kapellen. De Beeldenstorm moet een catastrofe zijn geweest voor kunstenaars. Hun werk, hun kunst, leek geen toekomst meer te hebben. Breughels  St. Maartens bacchanaal (1567) beeldt zo’n bruut, zwelgend – soms betaald- rapaille af.

Het was een schrale troost dat het stadsbestuur nog een schilderij van het delven van de Brusselse vaart naar Antwerpen bestelde. Dat is er niet van gekomen. Breughels wereld stortte in; Alva, executies, ketterjagers, pamflettenstrijd. Zijn kunst was niet langer gewenst, zelfs gevaarlijk. Op zijn doodsbed gaf hij opdracht riskante werken te vernietigen.

 

Wie de opdoemende godsdienstoorlogen luchtiger opnam, was de beeldhouwer Willem van Tetrode (Delft, 1523?- ? november 1580). Assistent van Cellini, kind aan huis bij kardinalen en pausen- hij zal overlijden als Rudolf II in Keulen vergeefs naar religievrede streeft. Anderhalf jaar na de Delftse beeldenstorm van 23 augustus 1566 kwam Van Tetrode terug. De sculptor mocht de vernielingen in de Oude Kerk herstellen. Op 9 maart 1568 kreeg hij zelfs opdracht een triptiek voor het hoogaltaar te maken. Het moest zijn belangrijkste werk worden. Vlak voor voltooiing werd het grondig verwoest in de Delftse beeldenstorm van april 1573.


Opvolgers blijven niet uit. Na Van Tetrode wordt Adriaen de Vries de laatste grote beeldhouwer uit Holland. Pas in de 17e eeuw sterven onze beeldhouwers uit, zoals in de 18e eeuw de schilders en in de 21e eeuw de literatuur. Hun levens roepen vragen op. 

Zo is er een overvloed aan grote namen die in hun laatste jaren moesten ondervinden dat hun kunst- en leefwereld afgedaan had: Hobbema, Rembrandt, Bach, Vivaldi, Charley Toorop, Vasalis, Ida Gerhardt. Ze werden gedesillusioneerd door de maatschappij – dus niet door de gewone teruggang op gevorderde leeftijd. Het ondergaan van zijn wereld kan zo iemand niet onberoerd laten. Voor dertigers die overleden, gaat dat niet op. Waarom lijken kunstenaars van de tweede en derde garnituur daar niet onder te lijden? Hoe kan dat?


Dat vroeg ik me af in Krakows universiteit die Abraham Bredius (Vermeer / Van Meegeren)  een eredoctoraat verleende – geïmporteerde academische titel smaalde De Stuers, niet altijd Holland op zijn breedst.  In de musea aldaar wachten vijf of zes prachtige schilderijen van onbekende Poolse meesters op erkenning. Er staat ook een folkloristisch museum. De bovenverdieping was ingericht met volkskunst. Wanden waren behangen met schilderijen en dichtregels van Milosz. Laat me toch tussen allerlei goedbedoeld geknutsel met verf op twee indrukwekkende meesterwerken stuiten!

 

Op mijn verzoek kwam de conservatrice erbij. Zei ik dat het bergdorp en het fantasielandschap de kwaliteit van een Jacob Maris en een Kandinsky evenaarden? Ik keek wel uit: ik vroeg of er meer werk van die schilders bekend was en of ze te koop waren? De dame zei verbaasd dat ze daarvoor naar het bureau moest. Dat duurde erg lang, zodat ik het maar opgaf. Vlak voor de uitgang pakte de conservatrice me bij de arm.

De doeken waren niet te koop! Dit waren de enige werken van die schilders die bekend waren. Die van het bergdorp was overleden, maar de maker van het fantasielandschap kon nog in een bejaardenhuis bij Bialystok leven. Bij wijze van troost las ze van formulieren voor, wat de schilders over hun eigen werk geschreven hadden rond 1970. De man van het bergdorp: Familie en dorpsgenoten vinden mijn schilderen onzin en negeren het. Daarom hield ik de doeken verborgen. Maar ik blijf schilderen, omdat het me rust geeft, alsof dat iets met de ware werkelijkheid te maken heeft.

De ander: Schilderen is mij van jongs af aan verboden. Mijn ouders en buren  steken er de draak mee. Ik doe het daarom in de schuur. Ik liet het u alleen zien. Toch blijf ik ermee bezig, omdat het mijn manier is om God te tonen, hoe dit leven mij overkomt. Ik dankte de conservatrice en liep verstrooid naar de tramhalte.


Want er kwam een herinnering boven aan een kunstmarkt in 2010. Ik stond in een kraam met boeken en schilderijen. Een mevrouw – regenjas, grijs permanent- vroeg bedeesd of ze iets mocht laten zien. Op haar i-pad toonde ze een meesterlijk portret. Daarna een stilleven. Toen een weids landschap. Ja, zelf geschilderd… olieverf op doek. Ja, dertig schilderijtjes op zolder. Nee, ze kende meneer Mankes en meneer Gabriel niet, wel Rembrandt en Van Gogh.  Maar, mevrouw, dit is voortreffelijk werk! U moet daarmee naar buiten treden. Waarom gaat u met deze schilderijen niet naar de Kunstkring? Nee, de Voorschotense Kunstkring had het al gekeurd en afgewezen. Nou, dan gaat u toch naar een galerie? Nee nee, zei ze, het hoeft niet, ze willen het thuis niet hebben. Ze borg opeens de i-pad op en stond al schichtig bij de volgende kraam. Een agrariër, dik, rood verbrand, schommelde voorbij. Ze voegde zich bij hem en de kleinkinderen. Ze wandelden de hoek om.

 

Het leven is goed en maakt blij, al is alles tijdelijk. Ook de sterkste en talentrijkste mens veroudert en teert in. Wat rest uiteindelijk de begaafde mens? Blijft als innerlijke blijdschap voornamelijk over: het scheppen op zichzelf? Die stellige indruk dat iets groters dan het eigen ik op die momenten de penseel of pen bestuurde? Zit er niet meer in? Eigenwaan? Erkende resultaten moeten toch (voor kunstenaars, bestuurders, onderzoekers) de doorslag geven? Maar bij die miskende schilder(e)s zou je denken dat kwaliteit een waarheid is, die niet afhangt van bijval of commercie. Ze maken diepe indruk op totaal vreemden in andere tijden - dat overstijgt goedaardige paranoia. 

 

En voor de maatschappij? Met haar cloaca’s van uitgerangeerden. Onder verschuivende  bolwerken van strebers en intriganten boven goedwillenden of -gelovigen? Probeer daar maar eens enig zicht op te krijgen. Miskenning zal niet altijd en alleen eigen schuld zijn geweest. Maakt het wat uit voor de samenleving dat kunstwerken onbekend blijven? Vernield, weggegooid worden? Doet het er toe dat talentrijksten lang niet altijd aan bod komen? In ieder geval niet voor de minister van Cultuur, Onderwijs en Wetenschap.

 

Te moeilijke vragen voor een wandelaar langs de bevroren Weichsel.

 

                                                                                                          Send   

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0