missieve 62

 

Missive 62


30 oktober 2016

 

Zo’n windstille herfstmiddag. Uit helgele en rozig verkleurde boomtoppen valt her en der een blad. Trottoirs liggen er vol mee. Waardige berusting alom.

 

                                    Hoe zeere vallen ze af,

                                    de zieke zomerblâren:

                                    hoe zinken ze, altemaal,

                                    die eer zo groene waren,

                                    te grondewaart!                               

 

                                    Daar valt er nog een blad:

                                    Het wentelt onder ’t vallen,

                                    Den alderlaatsten keer,

                                   En ’t gaat de duizendtallen 

                                   vervoegen thans        

 

                                                                               

Gezelle, wie anders? Maar niet teveel religie nu. Een taboe zou heilzaam zijn voor christenen, moslims, boeddhisten. Bidden, feest vieren mag, twisten met andere religies nooit. Voor een jaar of vijf?

Na haastig mijn biezen pakken bij Laszlo wandelde ik het laatste stuk door de lanen. Als Laszlo mij “advocaat” noemt, houdt dat geen verwijt in. Ik ben het zo lang geweest. Maar als hij “advocaat van de duivel” zegt? Het had zo mooi kunnen zijn. Neef Eugène, seminarist, logeerde bij hen. Ik kon niet nalaten als koekje bij de thee met de extenuatio als stijlfiguur te pronken. Tegenovergesteld van exaggeratio, de overdrijving staat de verdunning, of verkleining. Laszlo’s oomzegger uit Trnava had zo’n lol om de twee Eugenio’s bij het roemruchte extra ecclessiam nulla salus,  buiten de kerk geen heil. Die beruchte, antieke uitspraak.

Een Marokkaanse bisschop (3e eeuw) bedoelde met ecclessiam de twistzieke  christenheid van zijn dagen. Paus Eugenius IV – hij had bijna Maastricht in de ban gedaan- maakte er in de 15e eeuw een dogma van: hoezo christenen? Uitsluitend katholieken die goed geleefd hebben laat de Almacht toe in het oneindig geluk. Naar de hel met alle anderen! vond de paus die vaak uitgejouwd en met vuil bekogeld was. Maar een andere Eugenius, de James Bond onder de pausen, Pius XII, wist er wat op: de extenuatio.

In 1949 legt die paus, Eugenio Pacelli, breedvoerig uit dat inderdaad buiten zijn eigen katholieke organisatie geen entree tot de hemel bestaat… met aantekening daarna dat iemand die na een leven als goed mens nog niet katholiek, nou ja, christelijk gedoopt is, (een paar dagen voor de doop onder de tram gekomen) maar er wel sterke sympathie voor heeft, ook door de keuring komt.

Tot slot vermeldt hij summier… dat iemand, als hij of zij als goed mens leeft, maar door tijd of plaats of cultuur niet weet dat zijn of haar idealen de normen  zijn die het christendom of de RK kern huldigt… toch de eeuwige zaligheid deelachtig kan worden! Door die verdunning blijft dus van het exclusieve extra ecclessiam nulla salus niets wezenlijks over, sorry nihil. Hilariteit maar Laszlo vertrok geen spier.

 

Overmoedig waagde ik een tweede extenuatio : Je kunt kan uitvoerig en met twintig citaten aanvoeren, dat Jezus in zijn leven een sinds onheuglijke tijden voorbestemd verzoeningsritueel uitvoerde. Dan wel een voorspelde bloedige en vernederende liturgie die begeleid werd met mirakelen en prachtige parabels (behoedzame gezichten)…

met aantekening dat Jezus allesbehalve blind was voor het lijden onder de gewone mensen en het feilen van het bestuur, acht teksten zullen volstaan (bijval)… en tenslotte beknopt, met krap vier aanhalingen:

dat Jezus niet alleen wilde praten, maar bereid werd gevonden daartegen handelend op te treden. Zodat hij op het punt stond de zoveelste coupe du temple met vervanging van hogepriester uit te voeren… (stijgende argwaan). Zodat de kruisiging van Hem en twee militante aanhangers een tragisch en onmetelijk verlies was – ofschoon voor de priesterlijke collaborateurs met de meedogenloze laconieke bezetter niet onbegrijpelijk!... (verontwaardiging).

Helemaal verkeerd. Laszlo viel verbolgen uit, met ondersteuning van neef Eugène: Advocaat van satan, atheïstische ketterij, Jezus als een Arafat? Excentrieke spitsvondigheid. Slowaakse middeleeuwen herrezen onder bijval van de aanwezigen. Onverwachts stond ik met de mond vol tanden.

Goddank belde Sofietje op om te zeggen dat ze toch die nieuwe jas gekocht had. Ik verontschuldigde me dat ik jammer genoeg meteen naar huis werd geroepen. Edu stapte tegelijk met mij op. Een smadelijke aftocht.

 

In de tram zei Edu: - Niet erg snugger, hè? Hebben ze jou die bul voor goed gedrag gegeven? Een paus zijn eigen religie voor overbodig laten verklaren en van Jezus een soort Arafat maken!

Ik vergat dat Edu graag opstookt en probeerde me te verdedigen: had alleen een stijlfiguur willen demonstreren, maar het ging uiteindelijk om God en de individuele ziel, hoe belangrijk collectiviteiten als religies en sekten ook waren, enzovoorts. Koren op Edu’s molen.

 - Ja ja, maak je niet druk, uiteindelijk blijft Jezus een provinciale gebedsgenezer die in drie jaar voor zijn executie volslagen onopgemerkt is gebleven!

Dat was te gortig: -Zeker, we moeten niet overdrijven, want tenslotte blijft Jezus de belichaming van Gods liefde zoals niemand ooit voor of na Hem is geweest! En belangrijker dan alle keizers, koningen, farao’s, of theologen bij elkaar!

 

Ik wou zeggen dat geen enkele grote denker aanzien in zijn tijd genoot, maar Edu genietend van mijn dieper ademhalen gooide het over een andere boeg: -En trouwens, die Eugenius IV was maf, maar hij had  aardige trekjes, hij was tegen racisme en slavernij! In de veertiende eeuw!

-O ja? Hoe dan?

-Hij gaf aan de Spaanse koning het bevel zijn negerslaven en vooral die van de Kaap Verdische eilanden vrij te laten en als gewone mensen te respecteren.

-En deed dinges, Ferdinand of Alfons dat?                 

-Ben jij mal? Hij verklaarde dat hij de paus meteen zou gehoorzamen, zodra bewezen was, dat die slaven echte mensen waren, maar nu zovelen dat betwistten, hield de koning zich erbuiten!

 

Zwijgend reden we Centraal Station in. Mijn metgezel stond op. Hij vergoelijkte voldaan dat het gezellig kibbelen was geweest: twee wetgeleerden onder elkaar. Maar ik was nu eenmaal een Don Quichotte, nietwaar? Venit nox quando nemo potest operari, een nacht komt, waarin niemand iets kan uitrichten! 

Ik :- Johannesevangelie? Ja, we moeten ons er niet over opwinden, apprehendit sapientes in astutia eorum, Hij pakt de geleerden in hun specialisme…

Maar zo liet Edu zich niet aftroeven.

Op de onderste trede hief hij een vinger: - Ach, de geschriften?... (plechtstatig) Perversi difficile corriguntur et stultorum numerus infinitus est… Prediker? Een knikje dat ik ook onder dat oneindige aantal viel. En lachend het perron op. Ik had het nakijken.

Geen gunstige dag voor mij. Ik had Edu moeten naroepen: als het geknetter van doornentakken onder de pot, is het lachen der dwazen. In het latijn. Kom daar reis tijdig op.

 

Drie haltes verder stapte ik uit om de rest te voet af te leggen. Als iedereen nu in de maghreb, Europa en Azië voorlopig zou ophouden te razen, moorden, verwoesten om godsdienstige verschillen? Als Mosul van IS nou een soort 21e eeuwse Münster van de Wederdopers werd? De brandende puinhopen van een despotisch fanatisme?

Waar maak je je druk om?

Geleidelijk bedaarde alles. Voetstappen waren amper hoorbaar in de verlaten, serene lanen. Hoog geboomte nog weelderig in ‘t blad. Rijkelijk brons, goud, geelgroen en oudroze.

Allerheiligen en Allerzielen voor de boeg.

Sofietje gaat bloemen en lantaarntjes op familiegraven leggen. IJle vergankelijkheid. Onvermijdelijk.

Stilte. Herfst.

 

                                     Daar valt er nog een blad,

                                     Daar nog een, uit de bogen

                                     Der hooge boomenhalle,

                                     En ’t dwerscht den onbewogen

                                              Octobermist.

 

 

 

 

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0