Gaandeweg

 

Missive 65                                                                          3 september 2017

 

 

 

Goed nieuws kwam in de bus. De zoon van een oudere vriend heeft antieke tegeltjes verkocht aan een regionaal museum. Die mooie tegeltjes zullen dus bewaard blijven om volgende generaties ook van te laten genieten, schrijft hij. Fijn, maar waarom voel ik dan zinloze wroeging?

 

Aan Lamoraal T., een kwart eeuw ouder,  bewaar ik vele herinneringen. Als jonge PTT-er werd hij op straat opgepakt om in Hitler-Duitsland dwangarbeid te doen. In 1948 kon hij weer aan de slag om als directie-secretaris met pensioen te gaan. We kwamen in gesprek op een expositie, waar twee werkjes van mij hingen - hij had geduld met mijn artistieke opwellingen en theorieën. In 2002 is Lamoraal overleden.

Hij was geschokt toen hij merkte dat  ik zijn ervaringen in Dessau verwerkt had in Naar Holland Terug. Al had ik namen en plaatsen veranderd, van een schilderij een zij varkensspek gemaakt. Ik moest plechtig beloven nooit iets uit onze gesprekken openbaar te maken – maar ja, nooit is ongeveer 15 jaar, nietwaar?

 

We boomden heel wat af over kunst op terrasjes in Schipluiden, Utrecht of Haarlem. Onafhankelijk van elkaar waren we tot de conclusie gekomen dat de zogenaamde zelfmoord van Van Gogh nonsens was. Lamoraal veronderstelde een ongeluk. Ik denk dat Vincent dat rotjoch met z’n pistooltje niet voor het leven wilde belasten met doodslag of dood door schuld. Meestal eindigden we met Rembrandt of Hals.

Bijvoorbeeld over dat pseudo Joodse Bruidje, waar de treurige man de vader kon zijn van het argeloze meisje. Kunstkenners oreerden dat het Jacob met Rebecca voorstelde – allemachtig, als het nou Lea was, dan kon Jacob zo sip kijken. Maar dat beschermende gebaar... In die periode was Jephta, de vader die zijn enige kind offerde, een overbekende tragedie – Zie Vondels toneelstuk, Händel zijn opera. Maar ook hier werkt mythe waarschijnlijk commercieel beter dan de plausibiliteit.


Op een zonnige dag 1972, de vrouwen dronken thee in de salon, wij rookten een bolknak in de tuin, zei Lamoraal dat hij mij in vertrouwen wilde nemen. Bij zoveel plechtigheid veronderstelde ik een civiel geschil, maar we moesten naar de zolder. Onder het dakraampje haalde hij een grauwe deken van een voorwerp af. Het was een schilderij.

In okers en ombers was daarop een vredige nachtelijke vaart afgebeeld. Ter Aar op een zomernacht met het maantje, stille boerderijen van het dorp, twee hengelaars en een late wandelaar bij een ophaalbrug. Op water en in de bewolkte hemel een zweem paarlemoer. De signatuur was AVDN, 1672 (?). Prachtig…

Hij draaide het om. Op de achterzijde zaten oude etiketten. Op een ervan stond Nocturne Néerlandaise  Aert van der Neer 1603-1677. Dat was een sensatie!  Ik wist dat Aert van der Neer een Gorkummer was die een kroeg in de Kalverstraat had en in armoede stierf, omdat zijn schilderijen amper wat opbrachten. Lamoraal vertelde dat Van der Neer zwager van Amsterdamse schilders en vriend van Albert Cuyp was. Zijn nazaten schilderden ook, in diverse genres. Ik zei, ga ermee naar een museum, het kan best een of anderhalve ton opbrengen! Maar Lamoraal schudde het hoofd, nee, ik moest er absoluut  het stilzwijgen over bewaren. Na een kwartiertje ging de deken er weer over. Hij zette het in de hoek. We daalden de trappen af naar de dames.

 

Later ben ik er weleens op terug gekomen, maar Lamoraal hield de boot af. Zodra het bekend werd, draafde de fiscus op, moesten verzekeringen afgesloten worden. Misschien was het toch een vervalsing of een kopie. Als het echt was, kreeg hij een horde geldwolven op zijn dak. Of die familie Von B. zu H. kwam het terugeisen. Ze zouden hem kapot procederen. Nee, hij wou het met geduld en beleid aanpakken.

Nog één keer mocht ik het zien. Daar is het bij gebleven. We spraken er wel over. Ik zag schilderijen van Van der Neer in Amsterdam en St. Petersburg, maar Lamoraal had ze in musea opgespoord van Riga tot Rijsel. Bij zijn overlijden heb ik op de begrafenis gesproken.


Met zoon Jan-Willem hield ik sporadisch contact. Kaarten op vakantie en met de kerstdagen. Onlangs ontmoette ik hem op een ledenvergadering in Midden-Beemster. We hadden een geanimeerd gesprek met vele herinneringen aan zijn vader. Daarvandaan die kaart met terloops die vermelding van verkochte tegeltjes.

 

Vanmorgen kon ik niet nalaten Jan-Willem te bellen. Na wat koetjes en kalfjes bracht ik de tegeltjes ter sprake. Ja, dat had lang geduurd. Het porselein en tin had de familie meteen tegen goede prijzen verkocht. Er waren toch ook schilderijen? Mwah, op zolder stond wat rommel die Pa ook niet hoog aansloeg. Een kist ouwe meuk en wat schilderijen. Die hebben ze aan de kraakwagen meegegeven… 

 

Na het gesprek heb ik beduusd een ommetje rond de kerk gemaakt. Vanaf het rampjaar tot 2002, drie eeuwen en dertig jaar, zijn er mensen geweest die de nocturne bewonderde, bewaarden, koesterden. Twaalf tot vijfentwintig personen, gepruikt, in kuitbroek, in jacket, SS-uniform en streepjespak? Amsterdam, Berlijn, Cottbus, Wassenaar. Plunderende kozakken vonden het in 1945 de moeite niet waard. Een vluchtende dwangarbeider nam het mee naar Holland, lopend, met de trein. Al die verrukte ogen, die lotgevallen, ontberingen – in rook opgegaan. De kraakwagen leverde het bij de vuilverbranding af om tot as weder te keren.

 

Waarom kwelt het me zo? Had ik iets moeten doen, wat had ik kunnen uitrichten?  Nee, geen gezwets over karma van Van der Neer of toeval. Noch over wagonladingen kunst die in de loop van de tijd vernietigd worden. Maar evenmin reden om zo neerslachtig te worden. Wees liever blij dat die tegeltjes met ruiters en spelende kinderen goed verkocht zijn en in een museum nog door velen bewonderd zullen worden. Amen.

 

                                                                                                                Send

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0