missieve 57

 

 

 

                                       Sprookje van de twee advocaten

 

 

Peter Kapoes van Oldeborn heeft, toen stadhouder Willem IV aan de beurt was om het landsbelang te verwaarlozen, duivels uitgebannen en heksen verjaagd.  Op een avond kwamen notabelen uit het adelrijke Beetsterzwaag bij zijn boerderij. Op het erf zat een boertje naar de zonsondergang te kijken. “Bistu Peter Kapoes?”- sinds de stadhouder in kleine kring Fries sprak, was dat toen mode.

Het kereltje nam de pet af en de pijp uit de mond: “Jawel, hearskip, mar Jo kinne wal Hollands praten, hoor.” Wilde hij honderd guldens verdienen? Dat hing ervan af. Om op het Olfertsveld een eind te maken aan spokerijen. Daar klonk drommels lawaai terwijl je niks zag dan dat de heide links en rechts deinde. Paarden sloegen op hol. Karren ontspoorden. Dominee had ervan hartkloppingen gekregen en zijn vrouw opvliegers. Vroedschap, noch grietman wist daar raad op. Kapoes knikte nadenkend:  “Zondag na de kerk kom ik naar Olfertsveld, dan kunnen we bespreken wat er tegen te doen is.” En zo gebeurde het.

 

Die zondagmiddag stapte Peter Kapoes over de heide van Olfertsveld. Zijn zwarte klompen volgden kringen die een wichelroede in zijn handen hem leek te wijzen. Die welgestelden van Beetsterzwaag volgden hem. Opeens stond hij stil, de staf kromde zich omlaag en trilde. Kapoes nam even zijn pet af en stapte opzij  uit een onzichtbare cirkel - net groot genoeg voor een liggend mens. Daar plantte hij een stok als merkteken in het zand. Nadenkend liep hij daarna eerst een heuvel op en sloeg toen, de roede volgend linksaf, richting Beetsterzwaag. De hoge omes erachter aan. In het dorp gingen ze langs Fockenstate over de Hoofdstraat kerkwaarts. Bij de villa van de notaris liet de roede ze een rondje maken. Daarvandaan toog de optocht naar het kerkhof achter de kerk. Bij een tombe  - er stonden twee namen op die ons niet  meer aangaan- zuchtte Kapoes: “Hier leit de oorzaak.” Knikkend riepen de loffelijke burgers in koor: “Ja, natuurlijk, die advocaten van kwade zaken! Dat advocaille woonde vroeger in het notarishuis!”

 

Wat stak daar achter? Drie jaar geleden stierven twee beruchte advocaten binnen het jaar. Ze waren broers. Dat tweetal wist van een wet een roofmiddel te maken of een mooie frase zonder gevolg. Rechters waren er niet vies van hun gelijk te geven in vonnissen. Bewijs dat maar eens. Volgens enkelen om eerdere rechters kost wat kost niet door de mand te laten vallen. Sommigen zinspelen op steekpenningen Daar zijn schouten, penningmeesters en klerken natuurlijk ook tuk op. In ieder geval zaten notarissen en deurwaarders in het complot. Vast staat dat duizenden mensen in ellende werden gestort.

Met sommatie, beslag, dagvaarding en rekest wisten die twee  zelfs oogsten af te persen. Niemand dorst er wat tegen te doen. Hoeveel panden, boerderijen, licenties en geld ze afgepakt hebben is niet te achterhalen. Honderden moeten  er de dupe van zijn geweest. Het gerucht loopt dat daarom een jagertje zich dood schoot op het Olfertsveld. Nabij Garijp zou de schoolmeester zich opgehangen hebben. Ach, de mensen kletsen zoveel. Geroddel kan niet uitblijven als hogerhand alles in de doofpot blijft stoppen.

 

Bijna dertig jaar verzamelden die advocaten schatten. Ze vierden dat met jenever en cognac in hun statig huis. Nooit met dienstmeiden, zigeunerinnen, of sletten. Ze hadden liever drogerijen van amfioen, hennep en zwammen van de apotheker. Op hun feesten kwam de  notaris klavecimbel spelen. Bij een grote zaak kwamen daar een raadsheer of burgemeester bij. Als het bezoek tegen tienen vertrokken was, hoorde de buurt nog Latijnse kreten als dolus, malus, damnum, perturbatio. Op de wijs van het Wilhelmus kraaide de jongste “vaste jurisprudentie!” terwijl de oudste antwoordde “Zo is eilacie de wet!”. Op schoenen met gespen huppelden ze rond en staken hun pruiken in de lucht, zingend “tot onze spijt, hetgeen wij betreuren!” Gestamp klonk achter verlichte ramen tot in de kleine uurtjes.

In die Pruikentijd was niets openbaar. Rechters zijn er niet voor arme mensen. Degenen die dat het beste weten, zijn advocaten. Het is nooit anders geweest. Rechters die zulke advocaten hun zin gaven, kregen correspondenties. Geld kwam binnen bij Hope en Pinto. Douwe Sirtema en met hem Willem IV deden volop mee. Dat rechters er niet slechter op werden, tja - slechter werden hoogstens hun vonnissen.

 

In april overleed de notaris aan de pest. In mei stierf de oudste advocaat in de leunstoel, volgens de goegemeente met uitgestoken tong. Maar je moet niet alles geloven. De jongste  kon zonder zijn broer niet aarden.  Het hoge huis werd stil. Op aanschellen werd niet open gedaan. De buren gingen kijken wat er zo stonk. Dat was die overgebleven booswicht. Morsdood op de tegels. Vliegen en maden wemelden op zijn kale kop. Lege flessen bij zijn schoenen. De nieuwe notaris, jonger maar geen haar beter dan zijn voorganger, werd aangewezen om alles te regelen. Er was geen familie. De notaris pikte alles in tegen een douceurtje aan stad, staten en correspondent.

 

Was dat het eind van het liedje? Had je gedacht. In december begon dat gedonderjaag op het Olfertsveld. Links of rechts een ijselijk grinnik, flarden gezang, gerommel en stappen. Sissend klonk toospeit…toospeit... Of ook: Hihihihihi astejuriprutie! Loop je heen? Hohoho! Eilaaaiweeet Stampende schoenen. Onverklaarbaar schuddende struiken. De voorbijgangers namen de benen. Dat kon  zo natuurlijk niet doorgaan. Kon Kapoes daar morgenochtend wat aan doen? Voor honderd gulden. Mits het ophoudt natuurlijk.

Peter Kapoes hoorde het aan: “Morgen? Moet ik hooien. Daarna? Boekweit zaaien. Maar zondagnacht wil ik het proberen. Kom dan naar het Olfertseveld en neem drie honderd guldens mee. In zilveren rijksdaalders. En een zwarte rieten mand.”

“Wat nou, er is honderd gezegd,” protesteerde de stadsklerk die goede herinneringen had aan de advocaten met hun douceurtjes. Peter Kapoes haalde de schouders op : ”Vier honderd, oars sil ik het net dwaen.” De dikke Van Teyen baste dat het goed was. Toen hielden de notabelen hun mond, want vooraf hadden ze afgesproken hoogstens vijfhonderd te betalen. De klerk nam op zich voor een zwarte mand te zorgen.

 

Die zondag, het was al laat op de middag, troffen die van Beetsterzwaag elkaar aan de rand van het Olfertseveld. Toen de schemering viel, daagde uit het zuiden een zwarte boerenkar op.  Aan de zijkanten bungelden donkere wortels en slierten zwarte bessen. Langs de bok waren witte schedeltjes gespijkerd. Het maakte de geesten misschien niet bang, maar de notabelen wel.

Peter Kapoes zat op de bok naast een rieten mand, de lange zweep in de hand. Hij hield halt. Eerst betalen: bij advocaten gaat ziel en zaligheid om geld. Anders raak je nooit van ze af. De honderdzestig rijksdaalders stopte hij in de mand voor hij daarop een zwarte doek legde. De mand legde hij bij zijn rieten tas op de bok. Toen klom hij erop. “Op steenworp afstand blijven,” nam de teugels, klakte met de tong, knalde met de zweep en reed het donkere Olfertsveld in.

Ze waren goed en wel vertrokken of uit de heide steeg onheilspellend hol gegrinnik op. Die van Beetsterzwaag gingen tegen elkaar op een kluitje staan. Maar Peter Kapoes sloeg met de zweep knallend noord, zuid, oost, westwaarts. Hij riep spreuken in potjeshebreeuws. En moet je meemaken, die zwarte wagen begon zomaar te schudden… Dreigend gegrinnik, gesis en gebonk zwol aan. Bij de stok die de kwade plek aangaf, stapte Kapoes af. Hij nam de mand, trok de zwarte doek af en zette de mand midden op de ongeluksplek alsof hij het aanbood. De rijksdaalders van mat zilver glansden in het zwart. Het spokengeraas zwol aan.

Na een paar minuten - het leken de toeschouwers uren, stond hij op en nam mand op. Het leek alsof de mand zwaarder was. Kapoes begon terug naar de kar te lopen. Ondertussen herhaalde hij die gekke spreuken terwijl de daalders rinkelen als tamboerijnen. De paarden hinnikten en bokten.

Op zijn gemak klom de duivelbanner op de kar en zette de mand achter hem.

Peter Kapoes trok de teugels aan en zwiepte. Prompt zetten de paarden het op een draf. En die rijkaards van Beetsterzwaag op een holletje erachter aan. Konden ze Peter Kapoes bijhouden? Dat viel mee. Af en toe bleven de paarden steigeren, alsof de wielen niet draaien konden. Dan leek het weer  alsof  iets hun voorbenen vasthield. Als ze zich lostrokken en voortrolden, piepten en knarsten de wielen. Toen ze de zwerfstenen passeerden, schoten daar vonken van af.

Maar die drommelse Peter Kapoes suste en klapte maar met de zweep. Al schuimbekten en bokten de paarden, met rukken en stoten liepen ze voort.

Hortend ging het langs Drachten, Opeinde en Suameer de kant van Garijp op. Daar stokte de kar bij een braak liggend veldje waar de oude school had gestaan. Toen was het al een ruïne met een scheve perenboom. 

 

Het was middernacht geworden. Tussen de wolken scheen de maan.. Aan de hemel vloog iets, -een uil?- onder de wolken. Peter Kapoes nam  de mand met rijksdaalders, maar ook de rieten tas. Hij daalde af, de zweep onder de oksel. Op een kaal plekje onder de perenboom - hooguit een meter, net genoeg voor een stoel-  zette hij de mand neer en trok de zwarte doek eraf. Zilveren geldstukken straalden. Toen ging hij met zweep en tas aan de gang. Met zijn klomp trok hij schuifelend een kring van een meter rond de mand. Schor gegrinnik en onverstaanbaar gevloek was niet van de lucht. Binnen die cirkel van een meter zwiepten verdorie onkruiden alsof onzichtbare schoenen erdoor dansten en trappelden.


Opeens hurkte Peter Kapoes neer. Met het handvat van de zweep duwde hij de mand dichter naar de rand, waar de grassen stilstonden. De zwarte doek liet hij liggen. Hij bleef zelf buiten de kring, maar strekte de hand uit. Op zijn gemak pakte hij de rijksdaalders uit de mand. Hij stopte ze in de rieten tas. Hol galmden latijnse dreigementen, Hollandse vloeken, maar Kapoes hield zich doof. Het laatste geldstuk liet hij liggen. De zwarte mand met die ene trillende zilveren rijksdaalder bleef achter. Hij stond op en stapte terug naar de kar, de tas met zijn loon onder de arm. Met open mond keken de Beetsterzwagers toe. Op het geraas dat achter hem oorverdovend opsteeg, sloeg Peter Kapoes geen acht. Hij klom op de bok. “Ik wens u wel thuis, heerschappen!” Op een drafje vertrok de kar naar Oldeborn.

 

Die van Beetsterzwaag keken elkaar aan. Op schoenen met zilveren gespen door natte hei naar Beetsterzwaag terug lopen? Voor dag en dauw, narrig, en verbolgen om honderdzestig rijksdaalders. Maar er zat niks anders op.

Het geraas bij het schooltje klonk toen al klagelijker. Na drie dagen werd het daar stil. Op het Olfertsveld heeft het nooit meer gespookt, maar het Advocatenveld kent iedere Garijper wel. Van de oude school en de perenboom is niks over. De schoensporen op zand zijn al eeuwen verwaaid in de wind. Net als de mand, de munt en de zwarte doek. Maar vandaag de dag kun je nog die kale plek zien, als er geen onkruid over gegroeid is tenminste.

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0