missieve 59

.

22 augustus 2016

 

In de windstille nacht omstreeks drie uur opgestaan en op het balkon gaan zitten staren. Maan noch ster te zien. Een vale hemel rijst boven contouren op de horizon. Daken, plantsoenen en verlichte straatjes beneden.  Daarginds toch een sterretje? Neen, het beweegt. Binnen een uur trekken zo’n dertig bewegende lichtstipjes door het zwerk. Onze nachten zijn vol overtrekkende lichtpuntjes geraakt. In uiteenlopende richtingen. Maar toch vooral noord-noord-west? Want daar ligt Schiphol.

 

Lauwe, bedrukkende nachten genoeg. Waarom zulke verwarde gedachten? Over iets zo onbelangrijks als beleefdheid. Beleefdheid is volgens Thomas geen deugd, maar goede zede. Wel onmisbaar voor omgang en verkeer. Maar sinds Thucydides (400 v. Chr.) tot 2016 wordt afgegeven op beleefdheid die verbloemt, misleidt, huichelt en taal vervalst. Afslanking van bedrijf voor massaal ontslag. Respecteren van zelfwerkzaamheid: schandalige verwaarlozing.

Over verbale onbeschoftheid wordt daarentegen amper geklaagd. Als enige veroordeelt Jezus in Mt.5 vs 22 smaad en laster als karaktermoord? Lang voor pamflet, muurkrant en twitter? Willen alleen demagogen of bullebakken als Henk Vredeling, minister, en Piet Grijs, P.C.Hooftprijswinnaar, kampioen in schelden worden?

 

Van tsaar Nicolaas II beweert men dat hij iemand die voor de bijl ging, enkele dagen daarvoor bijzondere minzaamheid en hoffelijkheid betoonde. Uit medelijden? Omdat zijn eigen sympathie er buiten stond? Ik vermoed: uit machtswellust. De despoot zwelgt in schijnheilige overmacht tegenover een al reddeloze prooi. Zoals Wampoei, de snoek bij een argeloos visje. In die warrige overpeinzingen daagt pas bij het 26e  overvliegende knipperlichtje op waarom ik me zo druk maak.

 

Hypocriete magistraten die amoreel willen zijn en prat gaan op hun gemis aan empathie. Tegen hoffelijkheid is toch geen bezwaar. Beleefdheid is onontbeerlijk op een zitting. Dat is buiten kijf. Een rechter mag niet toelaten dat op zitting beledigingen worden geuit. Want ongeacht zijn karakter en mentaliteit vertegenwoordigt een rechter in ambtelijke functie de rechtzoekende samenleving.

Al sluit dat het bulderend voorlezen van het proces verbaal bij woorden als kutt en lulll en neueueuken bij rechter B. zaliger van de Krijgsraad, niet uit. Een rechter mag niet beledigd worden op de zitting, zoals in Frankfurt. En als de rechter zich zelf onbetamelijk uit: Lukt het gappen nog bij dat gebroken been? Of Mensen als jij verspreiden ellende als een gierkar mest? Ook dan moet de wellevendheid gehandhaafd worden. Maar als de rechter opzettelijk dreigt en onredelijk wil zijn? Misschien gaat de officier wel hoger dan vier maanden? Of: Ik begrijp u niet, krakers betalen toch ook jarenlang geen huur. Twee keer protesteerde ik toen de rechter te ver ging, meestal wist ik er geen raad mee. Bij wijlen rechter O. was er geen kruid tegen gewassen, die galmde het vonnis met holle, glinsterende ogen bijtend uit: negen maanden!...Om dof en onwillig te eindigen: waarvan drie maanden voorwaardelijk (zucht).

Ik weet zeker dat menig advocaat zich zulke taferelen herinnert.

 

Wat me dwars zit is een gesprek met een ZEGA volgens Remmelink, Zijne Groot Edel Achtbaarheid. Op mijn klacht tegen de evidente pressie en bedreiging op een zitting van het hof stuurde de procureur- generaal van de Hoge Raad de zaak door aan de president van gerechtshof en bestuur. Deze wilde de klacht van meet af aan weg schoffelen. Hij wilde niet eens registratie, laat staan afhandeling volgens reglement. Wel kreeg ik toegezegd een “telefonisch gehoor” als nieuwigheid. Op mijn protest – ik had enig idee wat zo’n telefoontje zou worden- werd dat omgezet in een echt gehoor.

Maar toen ik mij vorige week vervoegde bij Balie A van het paleis van justitie, wisten ze daar van niets. Ze stuurden me naar Balie H, waar ik schouderophalend doorgezonden werd naar de Centrale Balie. Daar was evenmin iets bekend. Zouden ze de secretaris niet kunnen bellen? Ja, als u denkt dat dit wat oplevert... De telefoon was nog aan het oor, toen de zon doorbrak. Jazeker, (mijn naam met titel), u wordt verwacht… via de personeelsingang.

 

Bij de personeelsingang haalde de secretaris mij op. Hij leidde me stuurs naar een hoge verdieping met ruime kantoorkamer in representatieve stijl. De ramen boden een panorama tot Scheveningen over een deel van het uitgestrekte ressort van de president.

Daar nam een kleine, kalende man me vorsend op. Vond mij kennelijk overdressed vergeleken bij zichzelf, president in eigen persoon. Hij stapte op mij toe, wisselde een handdruk en bood koffie aan– die ik beleefd afsloeg. Bestuurshoofd en secretaris dronken bedaard hun koffie. Als hoffelijk gelegenheidspraatje werd geïnformeerd naar mijn advocatentijd. Alsof hij niet tot in kritische details op de hoogte was gebracht. Voor zover hij zich mij niet zelf herinnerde. Of een van mijn brieven gelezen had. Ik vond het toch niet erg, dat het gesprek opgenomen werd? De secretaris zou daarnaast notuleren. 

 

De audiëntie begon. Nee, de presidente waarover ik kloeg, kende mijn klacht summier, zij hield zich er zelf buiten. Het ging haar niet aan. Trouwens u handelde toch vrijwillig? Dat lees ik hier. De beproefde civiele methode: beroofde gaf toch pasje af, zette handtekening, gaf  pincode op? De pressie en dreiging met jaren armoe lijden wordt genegeerd. Hoe zo wet, goede trouw of redelijkheid?

 

Het was niet onverwacht. Deemoedig verzocht ik om uitleg te mogen geven. Ik had al iets op papier gezet, hierbij U en de secretaris een exemplaar… Uitsluitend geheugensteuntje om het notuleren te vergemakkelijken. Schoorvoetend werd toestemming gegeven. De hoge autoriteit ging voor zich uit staren. De secretaris schreef af en toe iets op. Bij twee heikele punten wisselden ze een blik. Ik vroeg om disciplinaire sanctie omdat de lijdelijke presidente 2 van 3 partijen onder zware pressie tot onredelijke afspraken had gedwongen. Zoals dat ik een cassatieberoep tegen der presidente heur eigen arrest terstond moest intrekken. Alsmede dat ik mezelf ogenblikkelijk rechteloos wilde maken, waar tegenpartijen vrij bleven of nog anderhalve maand tijd kregen.

 

De president verbrak de stilte en begon minzaam de afronding. Dat m’n standpunt duidelijk was, maar uiteindelijk zou het voltallige bestuur beslissen. Helaas, ik moest er begrip voor hebben, dat de wet hem verbood iets te doen. Binnen afzienbare tijd zou ik de beslissing krijgen. Die breedvoerige uitleiding werd steels neerbuigend. De edelgrootachtbare heer verkneukelde zich. Waarschijnlijk lag de afwijzing kennelijk ongegrond (chicanes of verzinsels) al klaar om te ondertekenen op een bureau. Bevoogdend maar hoffelijk werd de niets vermoedende, maar kansloze justitiabele uitgezwaaid. De eer van een persoonlijk gesprek was verleend, maar deze gunst besliste nooit iets, helaas. Maar er kwam nog wel iets moois. Nikolaas II moet zulke spinnend verholen ironische audiënties gegeven hebben.

 

Wat stond tegenover de eer? Informeel zalvend afschepen. Gewoon lak hebben aan de eigen klachtenregeling. In drie variaties herhaalde ZEGA dat de wet rechters onafhankelijk had gemaakt. Aan wetten op zichzelf heeft de president geen boodschap. Maar “de wet” moet wel als het in zijn kraam te pas komt, beslissen dat rechters boven recht en toezicht en de wet zelf gesteld zijn.

 

Bestaande klachtenregelingen tegen rechters hebben nooit gewerkt. Corruptie is immers ondenkbaar. Dat geldt voor buitenland en gewone ambtenaren als politie. Die krijgen bij het aan de laars lappen van de wet niet per se geheime geldsommen, maar bevordering, functie of een  betere plaats. Rechters zijn daarentegen onbaatzuchtig. Angstcultuur komt voor bij departementen of besturen; bij gerechten heerst de naastenliefde. Vraag het magistraten met emeritaat maar.

Er ligt een verbeterde regeling voor disciplinaire rechterlijke sancties nr. 33 861 bij de Eerste Kamer om na invoering doeltreffend gesaboteerd te worden. Daarom niet getreurd: onafhankelijke rechters staan voor het leven boven wet en recht. Zondaars die het echt te bar maken, worden hoogstens collegiaal en volgens het ouwe-jongens-netwerk eruit gewerkt. Al kost het 14 jaar.

 

Ik heb zoals betaamt ootmoedig bedankt voor ontvangst en gesprek waarvoor de  grootachtbare tijd vrijgemaakt had en zijn eigen kamer ter beschikking had gesteld. Allemaal niet gering. De uitgeleiding doende secretaris was minder nurks: het strak in het pak genaaide sujet toonde zich godbetert nog dankbaar voor het kluitje in het riet.

De beslissing kwam met de post. Niet kennelijk ongegrond, maar niet ontvankelijk. Helaas. Wat ik zei en schreef over disciplinaire sanctie en rechterlijk optreden? Evenals wet en klachtenregeling?  Noppes. Ik had de president bij een procedure willen betrekken! Dat mocht niet! Misschien vonden ze het vermakelijk. Zo’n uitslag kwam niet onverwacht.

 

Waarom zit je dan in het holst van de nacht te tobben? Omdat een hypocriete magistraat je wegbonjourde met minzame courtoisie? Goede manieren en beleefdheid voor alles. Wie correct optreedt, mag daarbij zijn eigen gedachten hebben.Zoek je bed op. En dan zo’n Russische tsaar! Neem liever een voorbeeld aan beleefdheid van twee eeuwen geleden, toen Russen en Engelsen Noord-Holland binnenvielen:

 

 

Rapport van luitenant Messchaert van 19 september 1799. Die commandant van de burgerwacht aan de Noorderpoort te Hoorn was een fatsoenlijk, ten allen tijde beleefd man.

 

Een trompetter en twee parlementairs toeteren om 2 uur ‘s nachts aan de poort. Bij hun lantaarnlicht is zichtbaar dat ze een vuilrood of groezelig wit uniform dragen. Messchaert treedt alleen naar buiten: wat de heren voor boodschap hadden? Een mondeling over te brengen bericht van generaal Sir Ralph Abercrombie aan de commandant van Hoorn!  Ik zal de commandant, majoor Van der Mey laten halen, heren. Hij gaat naar binnen, laat de poort sluiten en stuurt twee ordonnansen op pad. Weer heftig trompetgeschal.

Doen tradt ik in manier als voren omschreven weder alleen buiten en vondt toen vijf officieren en een trompetter, vragende direct: Wat is van de Heeren haar dienst? t Antwoord was: God verdomme mijnheer, oogenblikkelijk de poort open of ik sal de stadt doen platschieten, 7000 man met de nodige artellerie staan daartoe gereed!

De luitenant blijft hoffelijk: Mijn wederantwoord: Mijn persoon is in uwe magt, maar ik open geen poort voordat mijn commandant mijn zulks ordonneert - maar in Godsnaam nog een weinig geduld dan sal de commandant hier zijn.


Twee van de drie witte officieren barsten namelijk uit in onverstaanbaar gevloek. Witte infanteristen treden naderbij. Na gedelibereer mag Messchaert weer naar binnen. Daar blijkt majoor Van der Mey al aangekomen. 

Beiden treden naar buiten, Messchaert kondigt met gebaar aan: In substantie, ziedaar mijne Heeren, de commandant der plaats. Waarop Van der Meij wordt gegrepen, geboeid en afgetuigd met de platte kant van een sabel. Hij roept de ontstelde Messchaert toe: Doe maar open. Dat gebeurt op bevel van de luitenant subiet. Als de troep binnendringt, roept de geboeide Van de Mey nog: Presenteert geweer! Hetgeen luit en burgerwacht keurig doen. Alle anderen vluchten, geen wonder, gelet op de overmacht, de onaangenaame en alzints onbillijke behandeling welke zij den braven commandant Van der Meij zagen ondergaan en ook ’t gesigt van de kling-slagen welke mij wierden toegedeelt. Dus Messchaert krijgt stram in de houding met gepresenteerd geweer flinke meppen, maar blijft beleefd: egter mijns insiens wel is te excuseren.

 

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0