missieve 60

.

5 oktober 2016                             

 

 

 

Een storende vraag bij de thee zondagmiddag. Buiten was het winderig. Af en toe een zoeklicht uit voortdrijvende wolkenstoeten. Het gezelschap wist niet op wie te stemmen. Storend bij de stortvloed aan dubieuze informatie voor de verkiezingen. Waarom?

Waarom moeten kiezers in de VS als president kiezen, aan wie ze de minste hekel hebben? Waarom worden de beste bestuurders nooit kamerlid? Bekende namen werden genoemd, en zelfs Fortuijn. Zelden of nooit minister? Terwijl iedereen dat zou willen. Dat komt niet door bedrog. Ligt het aan onze samenleving?

 

“Erkenning of promotie, daarom draait ‘t, “ dacht Laszlo, “Zowel bij lichamelijke als geestelijke kwaliteit. Doe je niks aan. De knapperds zijn te gevoelig, sociaal onhandig of zetten zich niet genoeg in om de top te halen. Elke leider heeft helpers nodig en wil niet  kieskeurig zijn, kijk naar Rutte. Zo kruipen dubieuze figuren naar de top.”

 

Laszlo – rijk geworden met pornofilms- is lid van filantropische besturen. Niet enkel vanwege zijn financiële obesitas. Hij is idealist en oprecht in zijn overtuiging dat God desgevraagd /gebeden, miljoenen keren natuurwetten opheft: geef ons heden ons dagelijks wonder en vergeef ons onze schuld. Was Laszlo  liever rijk geworden als notaris? Bankier? Iets achtenswaardiger dan producent van pornofraais (no fist, no piss / nor beast, but bliss).

“Mij maakt het niet uit,” verklaart de miljonair, ”Ik red me wel. Maar wat inzicht in erkenning of promotie door sociale stijging verklaart een hoop. Zowel van verleden als toekomst. Voor man en vrouw. Waarom worden de mooiste meisjes nooit schoonheidskoningin?”

 

Omdat alleen schoonheid, talent of intellect nooit de doorslag geven. Dat was aller mening. Overhalen, dienstbaarheid en sociaal voordringen onder protectie wel, zolang het fatsoenlijk lijkt. Niet de intelligentste studenten worden professor, maar netwerkers als P. Geyl, beweerde historicus Jan-Willem. Al vallen mettertijd velen door de mand.

De theekring vond promotie het belangrijkst: wie minister of president directeur wordt, heeft beslist de top gehaald. Maar ja, als zo’n staatsman kiest voor een toppositie bij een dubieuze bank? Of kamermeisjes belaagt? Dan valt hij als een baksteen in de algemene achting. Jarenlang uitsloven en goede resultaten tellen niet meer. Hendrik Colijn bleef fatsoenlijk, was vier of vijf maal premier, maar eindigde als bijna landverrader, wist Jan-Willem. In het gezelschap vielen namen van politici (♂ en ♀) die de laan uitgaan. Leve de verkiezingen.

 

Edu uit Warmond kent zo’n topman. Met bluffen en paaien promoveerde Ap van raadslid tot kamerlid. Samenspannend schoot hij als een vuurpijl omhoog. Tot in de top: minister, klats boem! Maar in eerlijkheid had Ap weinig routine. Keer op keer moest hij bakzeil halen. Krantenfoto’s spreken boekdelen. Na publieke afgang wil excellentie de politiek uit. Terug naar het advocaille. Voor het grote geld met daarmee nieuwe kansen. Dat hij als bewindsman ras vergeten wordt, is tot daar aan toe. Wie kent de ministers De Geer, Sassen of Slotemaker de Bruine? Is berucht worden dan al erkenning? Ten kwade? Jawel.

 

Toen werden gesprekken chaotisch. Promotie en geld is niet alles, met voorbeelden. Ook met een winst van twintig miljoen kan de uitgerangeerde rijke man zich groene paria weten (Jan-Willem). Blunders van het beleid, massale griepinenting. Maar de meeste Nederlandse politici willen echt het algemeen belang dienen (Laszlo). Nou en of: Thorbecke en Drees werden civiele heiligen. Erkenning is het summum, zelfs zonder succesvolle loopbaan, zoals o.a. Confucius. Is Domela Nieuwenhuis een groot man? Ja, maar van respect word je niet rijk (Edu). Wat koop je voor postume roem? Los dat maar eens op bij een kop Earl Grey.

 

 

 

Wat postume roem kan betekenen, leert Stavelot. In de hoofdstraat kom ik langs een breed portiek, volgeschreven met gedichten op wand en plafond. Van Guillaume Apollinaire (*1880 Rome), een dichter altijd in voor een geintje. Hij vond de term surrealisme uit en stierf bijna een eeuw geleden aan de Spaanse griep die wereldwijd meer doden (circa 100 miljoen?) maakte dan de hele eerste wereldoorlog bij elkaar.

 

Zijn bekendste gedicht Sous le pont Mirabeau coule la Seine / et nos amours (Onder de Mirabeau brug vloeit de Seine/ en onze liefdes) ontbrak. De meeste ruimte besloeg La chanson du Mal-Aimé dat begint met een ervaring die velen kennen: een aantrekkelijke jongeling werpt ons een blik toe van: je zou me dolgraag willen pakken, als je er niet te schijterig voor was. Die vond de mevrouw die de letters schilderde, het mooist:  

 

Un soir de demi-brume à Londres  Een half schemerige avond in Londen

 

Un voyou qui ressemblait à           Een nozem die lijkt op

 

Mon amour vint à ma rencontre    Mijn geliefde kwam me tegen

 

Et le regard qu ' íl me jeta             En de blik die hij me toewierp

 

Me fit baisser les yeux de honte    Liet me de ogen neerslaan uit schaamte

 

Een buurman vertelt dat er een museum Guillaume Apollinaire bestaat, in de abdij. En warempel: een leuk museumpje met autograaf, bundeltjes, citaten en afbeeldingen naast Diagilev, Picasso, Strawinsky. Zelfs een foto van een bedremmelde Apollinaire bij de zittingszaal vanwege diefstal van een paar beeldjes uit het Louvre. Comme un criminel en état d’ arrestation. Naast hem de gendarme en zijn verveelde advocaat. Ik verbijt mijn glimlach en vraag de toezichthouder wat in hemelsnaam de relatie tussen Apollinaire en Stavelot is?   

 

”Hij heeft hier eens een hotelrekening niet betaald.”

 

Omdat ik in lachen uitbarst: “Ja, zijn moeder speelde toen in Spa. In het Casino op dat mooie plein. Ze wist een methode waardoor ze zeker ging winnen. Toen ze blut was, zond ze een briefje dat Guillaume en zijn broer er maar stilletjes tussenuit moesten knijpen. Ze was zelf al vooruit gereisd, naar Parijs.” 

 

Voilà, duurzame erkenning. Als iets mooi blijft, doet fatsoen er niet meer toe – liefst postuum. Na escapades krijg je in dezelfde stad nog vurige bewonderaars en een museum.

 

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0