Over Bouke Jagt

 

Van Bouke Jagt verschenen in 1970 gedichten in De Gids. De verhalen  Koortsdansen en Pijnboomspook werden in 1974 en 1975 in het Weekblad Avenue gepubliceerd. Een overzicht van verschenen titels vindt men op www.badeloch.nl

 

In deze rubriek worden vijf bekende gedichten geplaatst. Over het verzoek ook drie fragmenten uit romans of verhalen te plaatsen vindt nog overleg plaats in verband met de technische mogelijkheden.   

 

 

Ik herkende Marion op kerstavond

onder een hemel met sterretjes getooid;

ouder, beproefder, niet meer zo stralend,

maar dierbaarder dan ooit.

           

Rondom lag 't dorp ondergesneeuwd.

Vrolijk lachend gaf ik haar een zoen

en verborg schertsend de spijt,

dat je sommige dingen niet over kunt doen.

 

 

 

Ich sah Marie-Anne wieder am Heiligabend

unter einem Himmel wie ein Sternleinhafen,

älter, erprobter, nicht mehr so strahlend,

sondern  teuerer denn je.

 

Rundum uns lag das Dorf im Schnee,

fröhlich küsste ich sie und  verstohlen

verheimlichte ich scherzend das Bedaueren

dasz man einstige Dinge nicht mag wiederholen.

 

 

 

 

 

 

De lange jaren dat ik leefde[1]

leerden mij weinig over de liefde.

Koude bries, deinzende tulpen, beukenwal

ruisen van duizend en een geval,

van schaamte en heil en of ik wel

        ooit wijzer worden zal.

           

Maar binnenin ging toch iets open,

wil onverhoeds op geluk hopen,

laat zich na jaren niet bedwingen:

           

o, zo hoopvol te kunnen zingen,

als gindse merel onder lila hemel,

een hemel in de tint van seringen.

           

In the long years that I have lived

I have learned little about love.

Cold wind, tulips shrinking back,

beech trees are rustling and bickering

about shame and salvation and if ever

           I will be wiser.

But inside something suddenly yearns,

longs for hope, for happiness, and simply

       refuses to  abate after years.

        O, to carol so hopefully

like   yonder bird, black under lilac sky,

        a  marvellous lilac sky.

 

 

           Brugleuning te Córdoba

           

Ach, foto van ons beider stoffige voeten

In sandalen bungelend boven de straat

behorend bij II Romeinen, die vermoeid

neergezeten kijken, hoe een vissertje roeit

op de Guadalquivir, die machtig voortgaat

eeuwen vóór Scipio Maior, eeuwen na deze.

           

Daagt eens herkansing na jaren boeten?

Het is te laat, geen onzer is in staat

de ander nog argeloos te ontmoeten.

Alleen innerlijk laat ik je groeten.

           

             El pretil de Córdoba

   

Ataq, fóto de nuestros ambos pies, polvorientos,

balanceandos sobre la calle en sandalias.

 Pertenecen a II Romanos,  quien  miran cansados,

 sentados, como un pescadorito rema

en el Guadalquivir, que  sigue sumamente

siglos antes de Scipio Maior, siglos a continuación.

 

Viniere una repesca al cabo de años de pagar?

No tiene arreglo, ni yo ni tú estamos

en condición de encontrarnos  ingenuomente.

                            Sólo internamente saludo a tí de parte de mí.          

 

 

 

 

 

Deze advocaat-generaal heeft chance

 Hij weet parket en hof voor zich te winnen

 met zo’n elegante, dartele nonchalance

 als wachten op hem onder linnen in trance

 koninginnen op kastelen in France.

 

 

 

 

Cet avocat général a veine

Il charme le  parquet et la cour sans peine

avec une telle pétulance mondaine

comme s’il y ait des reines

qui l’ attendent sous linge et laine

dans des châteaux le long de la Seine.



[1] Consonancen, met weesrijm als koppeling

 

 

Copyright © 2012 B. B. Jagt LLD 's-Gravenhage

ISBN 978-90-78457-06-0